Stadsontwikkeling beïnvloedt het dagdagelijks leven van stadsbewoners en passanten. De herinrichting van een buurt bevordert of verhindert sociaal contact, het bepaalt mee voor welk vervoersmiddel we kiezen en maakt dat we ons veilig voelen of net niet. Maar hoe weten we op voorhand of het ruimtelijk ontwerp het gedrag van mensen op de gewenste manier stuurt?

 

Ruimtelijk ontwerp beïnvloedt ons gedrag en daarmee onze levens

“There is no doubt whatsoever about the influence of architecture and structure upon human character and action. We make our buildings and afterwards they make us. They regulate the course of our lives.” Deze quote van de Britse staatsman Winston Churchill voor de ‘English Architectural Association’ gaat evenzeer op voor ruimtelijk ontwerp.

Ontwerpers verstaan de kunst om met enkele schetsen buurten te herscheppen, barrières op te heffen, ruimte te creëren voor ontmoeting en zo veel meer. Daarmee beïnvloeden ze mensen in hun gedrag. Die keuzes bevorderen of verhinderen ontmoeting in de publieke ruimte, het gebruik van de fiets, de zelfstandigheid van kinderen en senioren, … Ruimtelijk ontwerp gaat inherent over samenleven en de inrichting van onze maatschappij. Het raakt immers verschillende aspecten van de stad en onze levens: samenleven (in de wijk), mobiliteit, ontmoetingsruimte in de buurt, kinderen opvoeden tot burgers, zorgen voor onze senioren, economische noden, ecologische doelstellingen, …

 

Ontwerp vraagt een ‘user centered’ benadering

Dat alles met elkaar verzoenen is geen sinecure. Toch is dat een opgave die nog vaak van de ontwerper wordt gevraagd. Dat heeft veel te maken met de toenemende professionalisering van stadsontwerp in de loop van de 20e eeuw. Stadsplanning kende daardoor een meer technocratische aanpak die ontwerpers centraal in het beslissingsproces bracht. En daarmee hun grote invloed op het gedrag van mensen.

Maar als ruimtelijk ontwerp ‘au fond’ over het wel en wee van mensen gaat, is het vreemd dat het vertrekpunt daarvan het ontwerp is en niet de mens. Ontwerp vraagt een ‘user centered’ benadering. En daarvoor is kennis van noden, wensen en gedrag van de gebruiker nodig. M.a.w.: om het gedrag van mensen te beïnvloeden door ontwerp, moeten mensen eerst het ontwerp beïnvloeden.

Om het gedrag van mensen te beïnvloeden door ontwerp, moeten mensen eerst het ontwerp beïnvloeden.

 

Expertise van bewoners en gebruikers

Gelukkig maakt participatie ondertussen standaard onderdeel van vele ruimtelijke projecten. Het is voor ontwerpers en architecten een beproefde manier om de kennis van bewoners en gebruikers te benutten en hun noden en wensen te leren kennen.

Een cocreatie- of participatietraject geeft de ontwerper extra inzicht in hoe hij of zij een plek moet inrichten. Met die kennis kan de ontwerper het gedrag van stadsbewoners en -bezoekers sturen en hen een betere beleving bieden. Cocreatie leert de ontwerper wat mensen motiveert om een bepaald gedrag te vertonen. Het ontwerp maakt het mogelijk.

 

We doen lang niet altijd wat we zeggen dat we zullen doen

Jammer genoeg is het menselijk gedrag te onvoorspelbaar om enkel af te gaan op input en feedback van respondenten van een participatietraject. In werkelijkheid benutten ze een plek toch anders dan ze hadden aangegeven of nemen ze voor een korte afstand toch de wagen in plaats van te kiezen voor wandelen of fietsen. Er zijn valkuilen genoeg: de input van de respondenten geldt misschien alleen voor henzelf of hun peers en niet voor stakeholders die niet hebben deelgenomen aan het traject; respondenten geven sociaal wenselijke antwoorden of worden onbewust beïnvloed door vrienden, kennissen en familie; ingesleten gedrag lijkt toch hardnekkiger dan gedacht, …

Dat is ook niet verwonderlijk. Gedragsexpert B.J. Fogg stelt dat motivatie om iets te doen en daartoe in staat zijn (bv. doordat de inrichting van de publieke ruimte dat makkelijk maakt) niet voldoende is voor gedragsverandering. Mensen hebben een trigger nodig. Fogg identificeert drie soorten triggers: een motiverende boodschap (spark), een boodschap die belooft dat het gedrag makkelijk uit te voeren is (facilitator) en reminders (signals). Ook Fran Bambust, bedenker van het 7E-model voor gedragsverandering, hecht groot belang aan motiveren en ondersteunen. De belangrijkste hefboom tot een duurzame gedragsverandering, is echter het beleven van het gewenste gedrag.

 

Observeren, prototypen en testen

Naast overleg binnen een cocreatietraject is er daarom ook nood aan het observeren en in kaart brengen van het daadwerkelijke gedrag van mensen. De niet-lineaire en experimentele werkwijze van Design Thinking is daarvoor uiterst geschikt. Een Design Thinkingproces bestaat uit ‘need finding’ (het probleem definiëren door observatie) voor het doel bepaald wordt, ideation (ideeën bedenken via brainstorming, bv. tijdens het cocreatietraject) en prototyping en testen van ideeën.

Door observatie neem je als ontwerper waar of je de juiste ‘triggers’ hebt voorzien en gebruikers van een plek het gewenste gedrag vertonen. Is dat niet het geval, dan laat Design Thinking toe om nieuwe prototypes of ideeën te bedenken of waar nodig na te gaan of de vooropgestelde doelstelling van het ontwerp wel de juiste is.

Ook de overheid heeft haar rol

Design Thinking biedt vele mogelijkheden om inzicht te krijgen in het gedrag van mensen en het te beïnvloeden. Maar we mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de ontwerper leggen. Ruimtelijk ontwerp is maar een van de middelen om een stad of buurt kwaliteitsvoller te maken. De overheid, vaak de opdrachtgever van de ontwerper, heeft zelf een grote rol. Haar flankerende maatregelen beïnvloeden evenzeer het gedrag van mensen, zowel in het projectgebied als ver er buiten. Dat kan gaan over het op tijd ophalen van vuilnis, fysieke barrières of mobiliteitsobstakels die kinderen beletten om een goed ontworpen speelplein te bereiken, de veiligheid in de buurt, het aanbod aan vervoersmodi, een buurtwerking, …

Ik pleit daarom ook om bij het maken van beleid, Design Thinking en gedragsinzichten toe te passen. Een goed beleid stelt de mens voorop.

Dit artikel is een samenvatting van mijn paper ‘Design Thinking als instrument voor betere beleidskeuzes en gedragsverandering in de publieke ruimte’ dat ik schreef als input voor de Plandag 2018: Gedrag()en Ruimte.

 

Wil je aan de slag met gedragsinzichten?

Andere artikels

‘We hebben jullie nodig’

Eind september ontmoette ZM Koning Filip de laureaten van het IDCity-project. IDCity is een initiatief van de Koning Boudewijnstichting dat jonge sociale ondernemers uit verschillende steden de kans biedt om een project te realiseren dat bijdraagt aan het...

Lees meer

Pin It on Pinterest

Share This