De workshops van Cedric en co, zoals kleinzonen die grootouders helpen met technologie

De workshops van Cedric en co, zoals kleinzonen die grootouders helpen met technologie

Jonge mensen stimuleren om ideeën uit te werken die hun stad ten goede komen: daar draait IDCity om, een van de projecten van het Prins Filipfonds. Cultuur, mobiliteit, werk, leren, sport, media, milieu, politiek… alle domeinen komen in aanmerking. In Aalst kwam zo het idee uit de bus voor workshops waar jongeren senioren (beter) leren omgaan met technologie.

“Veel bijgeleerd. Super vriendelijke en behulpzame jongens, voor herhaling vatbaar.” “Proficiat aan de jeugdige mensen die dit willen doen voor de ouderen. Chapeau!” “Al onze problemen zijn opgelost, de vragen die we hadden zijn allemaal beantwoord. Zeer vriendelijke jongens, zeer in de weer!”

Een kleine greep uit de commentaren van de deelnemers van de workshops van Cedric Van Eeckhout en zijn vrienden volstaat om te tonen dat hun initiatief zeer gewaardeerd werd door hun doelgroep: senioren die wat hulp kunnen gebruiken om met technologie om te gaan, met name met smartphone, tablet en computer.

 

Kleinzoon

“We kruipen in de rol van de kleinzoon die zijn grootmoeder helpt”, vertelt Cedric, “we halen er zelfs taart en een drankje bij en maken er een gezellige middag van.” Het was dan ook de gedachte aan zijn eigen mémé en pépé die de jonge student uit Aalst op het idee bracht van de workshops.

Als leerling in de richting ICT & engineering had hij stage gelopen bij FabLab Aalst. Zo was hij tijdens een technologieworkshop met kinderen aangesproken door één van de aanwezigen: of hij met zijn passie voor technologie geen zin had om deel te nemen aan IDCity in Aalst? IDCity is een ideeënwedstrijd voor jonge mensen: gedurende één volledige dag komen ze samen om hun idee voor hun stad door te denken en in een werkbaar plan om te zetten. Aan het eind van de dag stemmen ze onderling wie wint: drie of vier laureaten krijgen 5.000 euro en coaching om hun idee in de praktijk te brengen.

“Ik ging erheen met een vaag idee om ouderen te helpen met IT, want allicht heeft niet iedereen een kleinzoon met een passie voor technologie. Toen ik zag dat de meeste deelnemers wat ouder waren dan ik, dacht ik dat ik nooit zou winnen”, herinnert Cedric zich. “Maar ik kreeg blijkbaar de anderen toch achter het idee met mijn ‘pitch’ met wat humor.” Hij doopte zijn project SMMT: Senioren Mee Met Technologie.

“We hoefden de senioren niet te overtuigen met coole snufjes, ze zijn vanzelf erg gemotiveerd om te leren omgaan met technologie.”

 

Cool

In een eerste fase kon hij samenwerken met ZorgLab Aalst om een testpubliek van vier senioren samen te stellen. “Welke soort lessen wilden ze? Op welk niveau en op welke manier? Een interessante test waarbij ik mijn idee wat heb bijgesteld. Zo wilde ik de senioren laten kennismaken met virtual reality: door te tonen hoe cool nieuwe technologie kan zijn, wilde ik hen motiveren. Maar dat bleek helemaal niet nodig: ze waren gemotiveerd genoeg om te leren omgaan met de technologie die ze nu dagelijks kunnen gebruiken.”

Onderweg kon hij aankloppen bij zijn coach Karim Cherroud. “Ik heb al snel chaotisch veel ideeën tegelijk. Karim dringt niet zijn ideeën op, maar helpt me om structuur te krijgen in mijn eigen ideeën. En hij heeft een groot netwerk waarvan ik gebruik mag maken. Soms zag ik hem maandelijks, soms zelfs elke week, naargelang ik er nood aan had.”

Karim dringt niet zijn ideeën op, maar helpt me om structuur te krijgen in mijn eigen ideeën. En hij heeft een groot netwerk waarvan ik gebruik mag maken.

 

Aanpak op maat

Afgelopen voorjaar kon de volgende fase ingaan. Cedric had intussen zijn vrienden Nathan Everaert, Enes Yetim en Robin Van Calenbergh warm gemaakt om mee te doen als vrijwilliger. Via zijn coach kwam hij in contact met Utopia, de bibliotheek van Aalst, waar hij een lokaal kon gebruiken. “Een grote meevaller voor mijn budget was ook dat ik een tiental afgeschreven laptops kreeg van het bedrijf Sodexo. Ik besteedde de middelen van IDCity tot nu vooral aan de hosting van een website, de VR-installatie en promotie.”

Per zaterdag konden 16 deelnemers zich inschrijven voor ‘Digitale senioren’. De jongens gingen immers voor een aanpak op maat, en in een grotere groep zou dat niet meer lukken. “We hadden een soort les voorbereid, maar die hebben we snel opzij gelegd. De senioren kwamen immers zelf met allerlei praktische vragen. Nu, des te beter, want het doel was net om het heel individueel in te vullen. De deelnemers waardeerden dit: sommigen hadden al wel eens een cursus gevolgd, maar die was te gemakkelijk of te moeilijk, bleef te lang hangen bij een computerprogramma dat ze niet gebruikten, was te schools…”

 

Structureel

“Voor herhaling vatbaar”, zo staat op heel wat van de feedbackformulieren van de deelnemers. “Ook Utopia wil het graag tot een structureel aanbod maken”, vertelt Cedric. Hoe dat zal verlopen, wordt momenteel besproken. “In elk geval zal Utopia bijkomende vrijwilligers helpen werven, zodat we iets meer kunnen afwisselen. Alle jonge mensen met een voldoende kennis van technologie zijn welkom als vrijwilliger. Tot nu hadden we een mooie mix van een paar jongens die straf zijn in IT en enkele anderen die soms bij de lastigste vragen moeten passen, maar dan weer erg goed en geduldig zijn in de omgang met de senioren.”

Nu hij zelf aan hoger onderwijs begint aan HoWest in Brugge gaat hij niet meer bij alle workshops aanwezig zijn, maar zijn tijd inzetten om hopelijk ook in andere steden workshops op de sporen te zetten. Hij borrelt van de ideeën om op termijn bijvoorbeeld met bedrijven samen te werken om hun software meer af te stemmen op senioren. Of zelfs om ooit een bedrijf op te bouwen rond het centrale idee technologie toegankelijker te maken. “Dat zijn dromen voor later, hoor. In elk geval ben ik heel blij dat ik heb meegedaan aan IDCity. Deze ervaring helpt me erg vooruit voor wat ik wil bereiken. Technologie is mijn passie, daar word ik gelukkig van, dus mijn leven zal altijd rond technologie draaien.”

Meer info:

 

Maken we samen de stad?

Andere artikels

Hebben we wel een baksteen in de maag?

Hebben we wel een baksteen in de maag?

Hebben we als Vlaming echt wel een baksteen in de maag? Of lijkt dat zo omdat we van jongsaf de boodschap ingeprent krijgen dat een vrijstaand huis buiten de stad de ideale woning is? Samen met Endeavour en Fran Bambust onderzoek ik voor het Vlaams Planbureau voor Omgeving wat daar van aan is en hoe gedragsinzichten compact wonen aantrekkelijker kunnen maken.

 

Luistervinken in de koffiebar

Onlangs was ik (alweer) in de koffiebar. Ik kon de cafeïne gebruiken om een onderzoek (het vijfde van de week) over wonen in Vlaanderen door te nemen. Super interessant, daar niet van. Maar niet altijd evident om bij de les te blijven. Ik werd dan ook snel afgeleid door de vraag ‘Waar wonen jullie nu?’. Twee jonge mama’s met kersverse baby in de kinderwagen, hadden wat bij te praten. Ik kreeg daarop een prima samenvatting van de wooncarrière van vele Vlamingen:

‘Een lage vrijstaande woning op het platteland blijft onze geliefkoosde thuis’

Deze krantenkop (De Morgen, 25.04.2019) n.a.v. de recentste Woonsurvey van de Vlaamse overheid leek wel over die twee jonge mama’s te gaan. Onderzoek leerde me dan ook dat woningverwerving, bij voorkeur door het zelf bouwen, het streefdoel is van de meeste Belgen. Sociaal aanzien, gevoel van vrijheid en privacy en kosten, stimuleren het kopen of bouwen van een grote woning, vaak buiten de stad. Ander onderzoek beweert zelfs dat we allemaal een suburbane droom hebben.

 

Het is toch wel fijn in de stad

‘Eigenlijk wilden we toch hier in de stad blijven. Het is hier wel fijn wonen en alles is dichtbij, zeker ook interessant wanneer de kinderen iets groter zijn’. De ene jonge mama nuanceerde daarmee enkele honderden pagina’s literatuur die ik die week had doorgenomen. En ze is lang niet de enige.

Heel wat gezinnen kiezen om in de stad of centrum van een gemeente te wonen. Het ene gezin doet dat omwille van de nabijheid van voorzieningen, anderen omdat ze in een fijne buurt wonen waar ze zich voor inzetten, de kindvriendelijkheid van de omgeving, … Koppels van wie de kinderen het huis uit zijn, keren ook graag terug naar het centrum om te genieten van het sociale en culturele leven. Senioren kunnen er langer zelfstandig leven doordat ze veel te voet kunnen doen en ze er meer sociale contacten hebben. En wonen in het centrum is vaak ook compact wonen.

 

Bepalen onze waarden onze woonkeuze?

Het lijkt alsof mensen omwille van praktische redenen voor compact wonen kiezen. Maar wat als we nu die keuze verklaren a.d.h.v. waarden? Talloze woonbrochures en krantenbijlagen associëren wonen ‘op den buiten’ met privacy, veiligheid, status en onafhankelijkheid. Stadsbewoners hebben echter ook die waarden, alleen vullen zij die anders in. Je kan iemands jaarlijkse inzet voor het buurtfeest in een stadswijk verklaren aan zijn nood aan sociale veiligheid. Dicht bij alles wonen, spreekt ons gevoel van vrijheid aan. Een groene buurt in de stad kan een gezonde en veilige omgeving zijn om kinderen groot te brengen. Een terras aan de woning en de anonimiteit van de stad, biedt ons ook de nodige privacy.

 

Getuigenissen compact wonen

Maar die verhalen horen of zien we te weinig. De collega’s van Endeavour trekken daarom binnenkort op onderzoek in zes woonwijken met voornamelijk compacte woningen. Ze willen er van de bewoners horen hoe zij hun woonkeuze ervaren. Met die getuigenissen en de bestaande literatuur als bagage, onderzoeken we verder welke gedragsprincipes relevant zijn bij woonkeuzes. De resultaten worden in de loop van 2020 bekendgemaakt.

 

Wil je aan de slag met gedragsinzichten?

Andere referenties

Waarom we bij stadsontwikkeling meer moeten experimenteren

Waarom we bij stadsontwikkeling meer moeten experimenteren

Stadsontwikkeling beïnvloedt het dagdagelijks leven van stadsbewoners en passanten. De herinrichting van een buurt bevordert of verhindert sociaal contact, het bepaalt mee voor welk vervoersmiddel we kiezen en maakt dat we ons veilig voelen of net niet. Maar hoe weten we op voorhand of het ruimtelijk ontwerp het gedrag van mensen op de gewenste manier stuurt?

 

Ruimtelijk ontwerp beïnvloedt ons gedrag en daarmee onze levens

“There is no doubt whatsoever about the influence of architecture and structure upon human character and action. We make our buildings and afterwards they make us. They regulate the course of our lives.” Deze quote van de Britse staatsman Winston Churchill voor de ‘English Architectural Association’ gaat evenzeer op voor ruimtelijk ontwerp.

Ontwerpers verstaan de kunst om met enkele schetsen buurten te herscheppen, barrières op te heffen, ruimte te creëren voor ontmoeting en zo veel meer. Daarmee beïnvloeden ze mensen in hun gedrag. Die keuzes bevorderen of verhinderen ontmoeting in de publieke ruimte, het gebruik van de fiets, de zelfstandigheid van kinderen en senioren, … Ruimtelijk ontwerp gaat inherent over samenleven en de inrichting van onze maatschappij. Het raakt immers verschillende aspecten van de stad en onze levens: samenleven (in de wijk), mobiliteit, ontmoetingsruimte in de buurt, kinderen opvoeden tot burgers, zorgen voor onze senioren, economische noden, ecologische doelstellingen, …

 

Ontwerp vraagt een ‘user centered’ benadering

Dat alles met elkaar verzoenen is geen sinecure. Toch is dat een opgave die nog vaak van de ontwerper wordt gevraagd. Dat heeft veel te maken met de toenemende professionalisering van stadsontwerp in de loop van de 20e eeuw. Stadsplanning kende daardoor een meer technocratische aanpak die ontwerpers centraal in het beslissingsproces bracht. En daarmee hun grote invloed op het gedrag van mensen.

Maar als ruimtelijk ontwerp ‘au fond’ over het wel en wee van mensen gaat, is het vreemd dat het vertrekpunt daarvan het ontwerp is en niet de mens. Ontwerp vraagt een ‘user centered’ benadering. En daarvoor is kennis van noden, wensen en gedrag van de gebruiker nodig. M.a.w.: om het gedrag van mensen te beïnvloeden door ontwerp, moeten mensen eerst het ontwerp beïnvloeden.

Om het gedrag van mensen te beïnvloeden door ontwerp, moeten mensen eerst het ontwerp beïnvloeden.

 

Expertise van bewoners en gebruikers

Gelukkig maakt participatie ondertussen standaard onderdeel van vele ruimtelijke projecten. Het is voor ontwerpers en architecten een beproefde manier om de kennis van bewoners en gebruikers te benutten en hun noden en wensen te leren kennen.

Een cocreatie- of participatietraject geeft de ontwerper extra inzicht in hoe hij of zij een plek moet inrichten. Met die kennis kan de ontwerper het gedrag van stadsbewoners en -bezoekers sturen en hen een betere beleving bieden. Cocreatie leert de ontwerper wat mensen motiveert om een bepaald gedrag te vertonen. Het ontwerp maakt het mogelijk.

 

We doen lang niet altijd wat we zeggen dat we zullen doen

Jammer genoeg is het menselijk gedrag te onvoorspelbaar om enkel af te gaan op input en feedback van respondenten van een participatietraject. In werkelijkheid benutten ze een plek toch anders dan ze hadden aangegeven of nemen ze voor een korte afstand toch de wagen in plaats van te kiezen voor wandelen of fietsen. Er zijn valkuilen genoeg: de input van de respondenten geldt misschien alleen voor henzelf of hun peers en niet voor stakeholders die niet hebben deelgenomen aan het traject; respondenten geven sociaal wenselijke antwoorden of worden onbewust beïnvloed door vrienden, kennissen en familie; ingesleten gedrag lijkt toch hardnekkiger dan gedacht, …

Dat is ook niet verwonderlijk. Gedragsexpert B.J. Fogg stelt dat motivatie om iets te doen en daartoe in staat zijn (bv. doordat de inrichting van de publieke ruimte dat makkelijk maakt) niet voldoende is voor gedragsverandering. Mensen hebben een trigger nodig. Fogg identificeert drie soorten triggers: een motiverende boodschap (spark), een boodschap die belooft dat het gedrag makkelijk uit te voeren is (facilitator) en reminders (signals). Ook Fran Bambust, bedenker van het 7E-model voor gedragsverandering, hecht groot belang aan motiveren en ondersteunen. De belangrijkste hefboom tot een duurzame gedragsverandering, is echter het beleven van het gewenste gedrag.

 

Observeren, prototypen en testen

Naast overleg binnen een cocreatietraject is er daarom ook nood aan het observeren en in kaart brengen van het daadwerkelijke gedrag van mensen. De niet-lineaire en experimentele werkwijze van Design Thinking is daarvoor uiterst geschikt. Een Design Thinkingproces bestaat uit ‘need finding’ (het probleem definiëren door observatie) voor het doel bepaald wordt, ideation (ideeën bedenken via brainstorming, bv. tijdens het cocreatietraject) en prototyping en testen van ideeën.

Door observatie neem je als ontwerper waar of je de juiste ‘triggers’ hebt voorzien en gebruikers van een plek het gewenste gedrag vertonen. Is dat niet het geval, dan laat Design Thinking toe om nieuwe prototypes of ideeën te bedenken of waar nodig na te gaan of de vooropgestelde doelstelling van het ontwerp wel de juiste is.

Ook de overheid heeft haar rol

Design Thinking biedt vele mogelijkheden om inzicht te krijgen in het gedrag van mensen en het te beïnvloeden. Maar we mogen niet alle verantwoordelijkheid bij de ontwerper leggen. Ruimtelijk ontwerp is maar een van de middelen om een stad of buurt kwaliteitsvoller te maken. De overheid, vaak de opdrachtgever van de ontwerper, heeft zelf een grote rol. Haar flankerende maatregelen beïnvloeden evenzeer het gedrag van mensen, zowel in het projectgebied als ver er buiten. Dat kan gaan over het op tijd ophalen van vuilnis, fysieke barrières of mobiliteitsobstakels die kinderen beletten om een goed ontworpen speelplein te bereiken, de veiligheid in de buurt, het aanbod aan vervoersmodi, een buurtwerking, …

Ik pleit daarom ook om bij het maken van beleid, Design Thinking en gedragsinzichten toe te passen. Een goed beleid stelt de mens voorop.

Dit artikel is een samenvatting van mijn paper ‘Design Thinking als instrument voor betere beleidskeuzes en gedragsverandering in de publieke ruimte’ dat ik schreef als input voor de Plandag 2018: Gedrag()en Ruimte.

 

Wil je aan de slag met gedragsinzichten?

Andere artikels

4 vragen over de meerwaarde van cocreatie voor publieke dienstverlening

4 vragen over de meerwaarde van cocreatie voor publieke dienstverlening

Cocreatie verhoogt de waarde van publieke dienstverlening. Dat is een van de conclusies van het Co-Val-onderzoek, die de denktank The Lisbon Group voert in 7 Europese landen. Als Belgisch panellid volg ik het onderzoek op een deel graag de inzichten ervan.

 

Over Co-Val

Co-VAL is een onderzoek van The Lisbon Group (gefinancierd door het Europese Horizon2020-programma) dat nagaat hoe cocreatie d.m.v. service design waarde toevoegt aan publieke dienstverlening. The Lisbon Group bestudeert goede praktijken in de ouderenzorg, gezondheidszorg en rond sociaal beleid in Schotland, Spanje, Frankrijk, Noorwegen, Denemarken, Italië en België. Zorglab Aalst is een van die goede praktijken.

In vier vragen en antwoorden lees je hoe gebruikers, medewerkers en beleidsmakers meerwaarde percipiëren.

 

1. Wie haalt meerwaarde uit cocreatie en service design?

  1. De gebruiker
    Service design (een ontwerpdiscipline die de designmethodiek inzet om nieuwe, waardevolle diensten te ontwerpen en bestaande diensten te optimaliseren) zorgt voor een meer toegankelijke dienstverlening waarbij burgers sneller en adequaat worden geholpen. De grootste meerwaarde voor de klant/burger is echter het eindresultaat van de dienstverlening, nl.: een betere gezondheid, een hogere levenskwaliteit, minder eenzaamheid of grotere zelfstandigheid.
  2. De organisatie
    Overheidsdiensten halen vooral efficiëntiewinsten uit service design. Die voordelen zitten in een vlotter procesverloop, multidisciplinaire samenwerking, efficiënte besteding van middelen en het kunnen aanbieden van een vlotte dienstverlening.
  3. De samenleving
    Het benutten van inzichten uit cocreatie zorgt ook voor maatschappelijke baten. Het zorgt voor minder eenzaamheid, een hogere tewerkstelling of verbeterde gezondheid van burgers. Maar daarnaast heeft het ook een economische impact, zoals het Zorglab Aalst bewijst.

 

2. Wanneer wordt meerwaarde gecreëerd?

De respondenten van het onderzoek gaven aan dat voornamelijk tijdens deze drie momenten van het cocreatieproces meerwaarde wordt gecreëerd:

  1. Op het moment van service design.
    Vooral de cocreatie met gebruikers van de dienstverlening is van onschatbare waarde. Ze brengen waardevolle oplossingen in en dragen inzichten aan die de dienstverlening klantgericht maken. Ook beïnvloeders van klanten (zoals familieleden) kan je best betrekken, vooral bij het uittekenen van een customer journey.
  2. Bij het uittekenen van het proces voor de dienstverlenende organisatie en de evaluatie ervan.
    Het proces moet vlot en flexibel zijn. Technologie is daarbij een belangrijk hulpmiddel voor een betere klantervaring.
  3. Bij klantencontacten.
    Het is op dat moment dat de verandering voor de klant in werking treedt. Vooral persoonlijke (face-to-face) contacten maken het verschil omdat de organisatiemedewerker ten volle de noden van de klant kan begrijpen en een vertrouwensband met de klant kan opbouwen. Een waardengedreven organisatiecultuur (en het uitdragen daarvan door het personeel) is daarbij van groot belang. Een gevoel van welkom te zijn, een glimlach, … zijn eerste stappen in de opbouw van een vertrouwensband.

 

3. Wie creëert meerwaarde?

  1. Eerstelijnsmedewerkers.
    Zij zorgen voor de opbouw van de vertrouwensband met de klant en verlenen een groot deel van de service. Professionele medewerkers en een waardengedreven organisatiecultuur zijn hier van cruciaal belang.
  2. Beleidsmakers en managers.
    Zij kunnen voorzien in goede regelgeving en het uittekenen van een performant en flexibel dienstverleningsproces.
  3. De gebruikers.
    Uiteraard creëren ze al meerwaarde voor zichzelf door louter gebruik te maken van de dienstverlening. De mate waarin ze meewerken tijdens het dienstverleningsproces, bepaalt verder de resultaten ervan. Het is echter hun deelname aan het service design dat het grootste verschil maakt.

 

4. Kan meerwaarde verloren gaan?

Jammer genoeg wel. Een verkeerde interactie tussen klant en medewerker kan de dienstverlening te niet doen. Gebruikers komen vaak met problemen die een grote impact op hun leven hebben. Personeel dat daar niet adequaat kan op inspelen omwille van een onprofessionele houding, tekort aan empathie, onvoldoende ervaring, … maken van de hulpverlening een negatieve beleving. Maar ook beleidsmakers en managers kunnen zorgen voor waardeverlies. Een proces dat niet flexibel genoeg is, te weinig inspeelt op het leven van de klant of technologie die het doet afweten, zijn daar de boosdoeners.

‘Het is moeilijk voor eerstelijnsmedewerkers om de waarde te creëren die politici en organisaties eisen als er geen beleid is dat zorgt voor de nodige structuren’. Deens beleidsmaker over een programma dat eenzaamheid bij senioren bestrijdt.

 

ROI

Nog te veel (overheids)organisaties bouwen hun beleid of dienstverlening uit op basis van hun eigen kijk op, of eerder prémisses over, wat burgers nodig hebben. Zij die service design toepassen, zullen echter niet verrast zijn door de resultaten van de Co-Valstudie. Cocreatie zorgt wel degelijk voor een ‘return on investment’. Een ROI die niet alleen financieel is, maar ook maatschappelijk en een groot verschil kan maken in het leven van burgers.

Meer info lees je op de website van CoVal.

 

Ondersteuning nodig op vlak van cocreatie?

Andere artikels

Naar een nieuwe aanpak van burgerparticipatie in Liedekerke

Naar een nieuwe aanpak van burgerparticipatie in Liedekerke

Liedekerke is een kleine gemeente met een bloeiend verenigingsleven. Toch ontstond er bij verschillende gemeentelijke adviesorganen een zekere participatiemoeheid. Het bestuur wilde weten hoe ze dan wel haar inwoners kan betrekken bij haar beleid en dienstverlening. Uiteraard haalden we onze inzichten uit een participatietraject over participatie.

 

Grote betrokkenheid

En participatie is ‘very much alive’ in Liedekerke. Dat bleek al van bij de start van het traject. Een 20 tot 40 deelnemers, voorspelde het gemeentebestuur. Het werden er meer dan 60. Een participatieavond, werden er twee. Maar vooral de vraag om gehoord te worden en ideeën en expertise te kunnen delen, met het bestuur én met andere inwoners, getuigde van een hoge betrokkenheid bij de Liedekerkenaren. De deelnemers zijn heel erg begaan met de ontwikkeling van hun gemeente en hebben de overtuiging dat ze daaraan kunnen bijdragen. Het traject leverde het gemeentebestuur daardoor ook heel wat tips en ideeën over de aanpak van participatie in de toekomst en een inzicht in welke thema’s de deelnemers na aan het hart liggen..

 

Belang van communicatie en informatie

Uit dit traject blijkt ook dat participatie en communicatie hand in hand gaan. De deelnemers leken niet de nood of wens te hebben om over alles rond de tafel te gaan zitten. Het is voor hen wel belangrijk te weten hoe wordt omgegaan met hun advies, hoe projecten evolueren en een vlot toegankelijke overheid te hebben. Een actief en transparante communicatieaanpak versterkt de betrokkenheid van burgers en vermindert ontevredenheid.

 

Waarom dit zo fijn was om te doen

Je hebt zo van die projecten waarbij de ‘vibe’ écht goed zit. Deze was zo eentje. Je zag zowel bij de gemeente (bestuur en medewerkers) een oprecht streven om participatie op de agenda te zetten en anderzijds geëngageerde burgers die het moment hebben aangegrepen om niet alleen hun ‘ding’ te zeggen, maar ook nieuwe ideeën en inzichten aan te brengen waarmee het bestuur concreet mee aan de slag kan. De leuke samenwerking met Eline, Eefje (De Stuyverij) en Ruben (Otherwere) maakten het voor mij helemaal af.

 

Artikel gemeentemagazine Liedekerke

De inzichten van je stakeholders leren kennen?

Andere referenties

Hebben we wel een baksteen in de maag?

Hebben we als Vlaming echt wel een baksteen in de maag? Of lijkt dat zo omdat we van jongsaf de boodschap ingeprent krijgen dat een vrijstaand huis buiten de stad de ideale woning is? Samen met Endeavour en Fran Bambust onderzoek ik voor het Vlaams...

Lees meer

Een ondernemershub in het hart van Oudenaarde

De oude, vervallen textielfabriek Saffre-frères in centrum Oudenaarde wordt de komende jaren een nieuwe groene en autoluwe woonwijk voor jong en oud. Het stadsbestuur en projectontwikkelaar Revive willen in de centrale hal van de fabriek ook plaats voor...

Lees meer

Pin It on Pinterest